Actueel

Inzet CAO-onderwijs

In het vorige info-bulletin heeft u kunnen lezen wat de inzet van de CMHF bonden voor de CAO-Onderwijs is geworden. Hoewel de inzetten van de vier centrales redelijk dicht bij elkaar lagen, is het toch niet gelukt om alles en iedereen op één lijn te krijgen. Het grootste struikelblok bleek te liggen in het feit dat de andere centrales niet uit wilden gaan van een generieke salarisverhoging voor iedereen in het onderwijs. De CMHF heeft zich altijd op het standpunt gesteld dat een woord slechts voor één uitleg vatbaar moet zijn, zeker wanneer het gaat om onderhandelingen. Wanneer er sprake is van een algehele salariseis van 6,5 %, dan moet dat ook een algehele salariseis zijn van 6,5 % voor iedereen. Vinden wij dan niet dat het personeel aan de onderrand van het loongebouw er dan bekaaid afkomt? Jazeker! Maar dat wordt niet opgelost door een vloer aan te brengen in de looneis voor de schalen 1 t/m 5 zoals dat bij de vorige CAO-Onderwijs ook is gebeurd. Even een voorbeeld: Een salarisstijging van 5% geeft voor het maximum van S3 180 gulden, voor het maximum van S2 165 gulden en voor het maximum van S1 150 gulden. Alleen de laatste zou in dit geval een extra bedrag moeten krijgen van 10 gulden per maand bij het aanbrengen van de vloer in het looneisenpakket. De NVOP is van mening dat hier een schijn-oplossing wordt gecreëerd voor de salarispro-blematiek van het onderwijsondersteunend per-soneel. Want waar gaat het werkelijk om? Sinds de invoering van het formatiebudgetsysteem en van de lumpsum-financiering heeft er een geweldige verschuiving van al aanwezige taken plaatsgehad in het onderwijs en zijn er daarnaast zeer veel nieuwe taken bijgekomen. Liever gezegd, veel taken die tot voor kort door het onderwijsgevend personeel werden verricht, zijn nu bij het takenpakket van het onderwijs-ondersteunend personeel gekomen. En daarnaast zijn bijna alle nieuwe taken ook terecht gekomen bij datzelfde onderwijsondersteunend personeel. Het zal duidelijk dat het op de scholen aanwezige functiebouwwerk met de daarbij behorende functiewaardering en beloning allang niet meer overeenkomt met de werkelijke functievervulling van het OOP. Juist daarom moet nu met grote inzet van alle betrokkenen gepleit worden voor een zeer snelle aanpak van de problematiek van het onderwijs-ondersteunend personeel. De grootste prioriteit zal gegeven moeten worden aan een nieuw functie-bouwwerk met de daarbij horende functiewaar-dering voor het onderwijsondersteunend personeel. En dát is waar de NVOP, naast de andere bonden in de Fedratie Onderwijsbonden CMHF/MHP, voor staat. En dat zal in de onderhandelingen inzake de nieuwe Onderwijs CAO dan ook keihard overeind blijven. Dat binnenhalen is echt iets voor het onderwijsondersteunend personeel doen!! We doen ons best. Cees van der Ham

Bod van de onderwijswerkgevers- en werknemersorganisaties, 7 april 2000

Dit bod is bedoeld om het overleg over meer geld voor het onderwijs vlot tetrekken en betreft rich-tinggevende uitspraken van CAO-partijen over de besteding van de gevraagde fl. 750 miljoen. Gelet op:

    -    de hoge werkdruk in het voortgezet onderwijs,
    -    het groeiend tekort aan personeel in deze sector,
    -    de noodzaak om het imago van de sector voortgezet onderwijs te verbeteren, onder meer op de arbeidsmarkt,
    -    de noodzaak om onderwijskwaliteit blijvend te garanderen en waar mogelijk te verbeteren,
    -    en de noodzaak om de gewenste onderwijs-vernieuwingen te realiseren,is het noodzakelijk de komende periode substantieel te investeren in het voortgezet onderwijs.
Partijen hebben in dat verband begin februari gewezen op de noodzaak van een extra financiële impuls van ten minste 750 miljoen gulden. Gelet op het feit dat CAO-partijen recentelijk signalen bereiken dat ogenschijnlijk het politiek en maatschappelijk draagvlak voor het plegen van deze extra investering bestaat, wijzen CAO-partijen met deze gezamenlijke verklaring er op dat deze middelen daadwerkelijk noodzakelijk zijn om gewenste vernieuwingen te realiseren. De maatregelen die partijen voorstaan, bestaan uit verlaging van de werkdruk, onderwijs-vemieuwing, professionalisering en personeelsbeleid.

I. Verlaging werkdruk, onderwijsvernieuwing, professionalisering en personeelsbeleid

A. Verlaging werkdruk en realiseren onderwijs ver-nieuwing

  1. In het kader van de noodzakelijke werk- drukverlaging wordt:
    - de lessentaak van het onderwijzend personeel verlaagd;
    - de werkdruk van het onderwijsondersteunend per- soneel gereduceerd;
    - extra onderwijsondersteunend personeel in de school ingezet.
  2. De door de verlaging van de lessentaak en contacttijd vrijkomende tijd wordt ingezet voor onderwijsvernieuwing (ICT, tweede fase, aangepaste basisvorming, vmbo), meer in het bijzonder voor verbetering van leeding-begeleiding en zorg-verbreding. Nadere invulling van deze inzet vindt plaats op instellings-niveau. B. Tijdelijke maatregel om bij verlaging van de werkdruk en een tekort aan personeel toch de onderwijskwaliteit te garanderen
  1. Mede in verband met de gespannensituatieopde onderwijsarbeidsmarkt krijgen de keuze tussen een algemene arbeidsduur van 1659 dan wel met de ADV uitgebreide jaartaak van 1710 klokuren. Partijen komen hiermee tegemoet aan de toenemende behoefte aan à la carte elemen-ten in arbeidsvoorwaarden in het onderwijs.
  2. Afhankelijk van de spanningen op de onder- wijsarbeidsmarkt ter plaatse kiest de werkgever op welke wijze een verlaging van de lessentaak en de contacttijd niet ten koste gaat van het onderwijs aan leerlingen: hetzij door de inschakeling van extra ondersteunend personeel, hetzij door stimuleren van de keuze voor een met ADV ver-hoogde jaartaak. Partijen beogen met de maatregelen genoemd onder A en B het werken in het onderwijs aantrekkelijk te maken zonder hiermee op korte termijn onvervulbare vacatures te creëren.
C. Professionalisering en personeelsbeleid
  1. Werkgevers en werknemers onderstrepen de noodzaak tot verdere professionalisering van de het personeel en de schoolorganisatie. Zij spreken af dat dit beginsel de in de jaren 2000 - 2003 een centrale leidraad zal zijn bij hun CAO-besprekingen.
  2. Er wordt een professioneel statuut ingevoerd.
  3. Werkgevers en werknemers erkennen de nood- zaak om te komen tot integraal personeelsbeleid in het voortgezet onderwijs. Van dit beleid maken de volgende componenten deel uit:
    - Op het vlak van scholing en employability is het noodzakelijk dat instellingen hun beleid niet alleen richten op het functioneren van het personeel in hun huidige betrekking, maar tevens op reële mogelijkheden voor andere functies in de toekomst. De instelling voert 'permanente educatie' van het personeel door Met name ook van belang in verband met de introductie en uitbouw van ICT in het onderwijs.
    - Partijen komen overeen het ziekteverzuim en het arbeidsongeschiktheidsrisico in het voort-gezetonderwijs terug te dringen, door middel van een intensivering van preventiebeleid en reïntegratie.
  4. Door middel van integraal personeelsbeleid wordt vrijwillige mobiliteit van het personeel bevorderd en overigens door de werkgever gestimuleerd. Werkgevers streven naar optimale matching van vraag en aanbod op de onderwijsarbeidsmarkt. Gestreefd wordt naar een dusdanige bevordering van vrijwillige mobiliteit en matching dat de toepassing van bestaande CAO-afspraken over afvloeiing niet meer nodig is.
    - Op het vlak van taakbeleid wordt afgesproken dat op decentraal niveau meer vrijheid wordt geschapen voor invulling van het taakbeleid.
  5. Scholen voeren zoals gesteld een integraal personeelsbeleid. In dat verband worden onder meer verstaan het structureel voeren van functioneringsgesprekken. Op basis van deze gesprekken wordt in overleg een persoonlijk ontwikkelingsplan voor de werknemer in kwestie opgesteld, waarbij tevens wordt voorzien in scholing & facilitering. Scholen gaan in dit verband tevens over tot het voeren van competentie-management op basis van structureel ge-voerde beoordelingsgesprekken. Integraal personeelsbeleid en competentiemanagement worden gezien als volgend op de imple-mentatie van andere instrumenten van personeelsbeleid, zoals scholing & employ-ability, arbo- en verzuim- en mobiliteitsbeleid.
D. Tijdpad van invoering Partijen hebben het volgende tijdspad van invoering voor ogen:
  • met ingang van 1 augustus 2000: de onderdelen genoemd onder A en B
  • met ingang van 1 augustus 2001: de onderdelen genoemd onder Cl tot en met C3
  • met ingang van 1 augustus 2002.- onderdeel C4.
II. Bespreekpunten voor volgend CAO-overleg

Partijen komen naast het voorgaande tevens overeen tijdens de onderhandelingen die plaatsvinden in het schooljaar 2000 - 2001 te streven naar het maken van afspraken over de volgende onderwerpen:
- Verdere uitbouw van à la carte elementen in de CAO VO
- Normalisering van uitzendarbeid
- De verruiming van verloffaciliteiten voor het personeel
Partijen nemen de inspanningsverplichting op zich deze onderwerpen tijdens genoemd overleg met succes af te ronden, hetgeen uitmondt in CAO-afspraken welke ingaan per 1 augustus 2001.

Slotbepaling
CAO-partijen verplichten zich om het bovenstaande tijdig te verwerken in CAO-bepalingen.